Het Dorp Puffelik.

Het Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden schrijft daarover het volgende:

Aardrijkskundig Woordenboek der Nederlanden bijeengebracht door A.J. van der Aa. Met medewerking van enige Vaderlandsche Geleerden. Negende Deel.P.R. Te Gorinchem, bij Jacobus Noorduyn. 1847. eid in het Land tussen Maas en Waal, Provincie Gelderland, Distr. en Arr. Nijmegen, Kant. en Gemeente Druten, palende N. aan Druten, O. aan Afferden en Horssen, Z. aan Altforst en W. aan Leeuwen.

Deze Heerlijkheid bevat het dorp Puyflijk en enige verstrooid liggende huizen. Men telt een bevolking van 400 inwoners die meest hun bestaan vinden in de landbouw.

De Herv., die er zijn, behooren tot de gem.Leeuwen-en-Puyflijk, klass van Nijmegen, ring van Batenburg. Vroeger maakten de Herv. te Puyflijk eene afzonderlijke gemeente uit; hoe lang dit geduurd heeft is onzeker, in 1609 waren Puyflijk en Leeuwen reeds vereenigd en de eerste Predikant in 1609 beroepen voor beide gemeenten was Hermannes Gerardi Postelius die in 1621 overleed.

De R.K. onder welke 330 communikanten, maken ene par. uit, welke tot het apost. vic.gen. van ’s Hertogenbosch, dek. van Druten, behoort en door eenen Pastoor bediend wordt. – Men heeft in deze heerl. eene school.

Puijflijk was zeker eene vrije heerlijkheid, want in 1260, werden Goswinus Miles de Puffelike, Wernerus de Puffelike en Wilhelmus de Puffelike, alle drie met de tiel van Edele Heren, Nobiles Viri, pronkende leenmannen van de Graaf von Cleve. De laatst genoemde, Wilhelmus de Puffelike, Ridder, een Edel eerzaam man, vit Nobilis et honestus; had den hof van Balgoy van het kapittel van St. Johan te Utrecht, in erfpacht gehad; hij was in 1288 overleden en zijn zoon Willem zag toen daarvan af. Willem junior de Puffelic, waarschijnlijk dezelfde, was in 1280 borge der broeders van Ochten en in 1300, droeg hij zijn huis en heerlijkheid Puyflijk, ter leen op aan Graaf Reynald; sedert dien tijd werden zijne nakomelingen, waarschijnlijk alleen met het dagelijks gerigt en met de hofstad Darup, beleend. Volgens de dijkbrief van 1321, was Puyflijk (Puffelick) nog een bijzonder gerigt. De leenregisters zwijgen van de beleeningen, geduurende de veertiende eeuw; maar in 1402 werd Otto van Puffelick verleid, en naderhand in 1416, zijne dochter Lysbeth; vrouw van Floris van Meekeren. Dit goed en deze heerlijkheid, is in het geslacht van Mekeren gebleven, tot dat Jan Joost van Mekeren, hetzelve in 1672 aan Zweder van den Boetzelaer tot Leeuwen verkocht en sedert hebben beide goederen dezelfde bezitters gehad.

Het d. Puyflijk of Puiflijk, oudtijds Puffelick of Puflijk, ligt 4½ W. van Nijmegen, 1 u. Z.W. Van Druten.

De R.K. kerk, aan den H. Johannes den Dooper toegewijd, heeft geen toren, doch is van een orgel voorzien. — Van de voorm. Herv. kerk, is het schip reeds voorlang weggeweest, doch het koor door de Herv., zoo lang er nog eene afzonderlijke gem. bestond, tot kerk gebruikt. Is voor weinige jaren afgebroken; ter plaatse waar zij gestaan heeft, ziet men thans nog den hoogen en stompen toren, die geheel van duifsteen gebouwd is en op eene hoogte of lagen heuvel staat.

Onder dit d. vindt men nog de bouwvallen van het oude adell.h. Op-ten-Holte, *) ook heeft er vroeger een ander adell.h., het Huis-te-Puyflijk genaamd, gestaan.

Het wapen der heerl. Puyflijk, bestaat in een schild van goud met een borduursel van keel.

PUYFLIJK (HET HUIS-TE-), voorm.h.in het Land-tusschen-Maas-en-Waal, prov. Gelderland, distr., arr. en 4½ u. W. van Nijmegen, kant., gem. en 1 u. Z.W. van Druten, onder Puyflijk. Ter plaatse, waar het gestaan heeft, ziet men thans eenige bouwvallen.

*-*-*-* 

*) Op-ten-Holte is tot het einde der zestiende eeuw, bij het geslacht van Puffelick gebleven. Dit geslacht voerde als spreuk:

“D’or à la roue de geules”

Bron: Oordeelkundige inleiding tot de historie van Gelderland: in 1795, Volume 4.

*-*-*-*

In een zakaltlas is de naam Puffelen als dorp terug te vinden ‘in het land tussen Maas en Waal’.

 

 *-*-*-*